Moet een gemeente afzien van handhaving bij zicht op legalisatie?

Op 24 maart 2021 deed de voorzieningenrechter van de Raad van State uitspraak in een zaak aangespannen door Oostappen groep tegen de gemeente Asten. (ECLI:NL:RVS:2021:606)

Kern van de zaak:

Oostappen voorziet arbeidsmigranten van tijdelijke huisvesting op het vakantiepark Prinsenmeer hetgeen in strijd is met het thans geldende bestemmingsplan.

Bij besluit van 1 maart 2019 legt het college van B&W aan Oostappen een last onder dwangsom op om alle bewoning door arbeidsmigranten op vakantieparken te beëindigen. Oostappen gaat in bezwaar en in beroep. Zowel het bezwaar als het beroep wordt ongegrond verklaard. Hierop vraagt Oostappen een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter geeft daarin antwoord op de volgende vragen:

  1. Moet de gemeente handhaven?
  2. Moet de gemeente afzien van handhaving omdat er concreet zicht is op legalisatie?
  3. Staat het vertrouwensbeginsel aan handhavend optreden in de weg?
  4. Is handhavend optreden door gemeente onevenredig?

Deze vragen gelden niet enkel voor de situatie van Oostappen, maar kunnen in meerdere situaties waarin strijd met het bestemmingsplan is, worden toegepast.

Op de eerste vraag is het antwoord relatief eenvoudig, namelijk: Ja, want overtreding van het geldende bestemmingsplan staat vast (r.o. 4). Dan is vervolgens de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de gemeente moet afzien van handhaving.

De tweede vraag is iets ingewikkelder, de voorzieningen rechter zegt daarover het volgende: Voor concreet zicht op legalisatie bij strijdig gebruik van het bestemmingsplan moet ten minste al een begin zijn gemaakt met de voor verlening van die vergunningsvereiste procedure. Daarvoor is een aanvraag nodig ten tijde van het bestreden dwangsombesluit. (r.o. 5.1) Dat wil zeggen: er moet al een vergunning zijn aangevraagd. Als daarvan geen sprake is kan niet vooruit worden gelopen op enige legalisatie.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk worden gemaakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht worden afgeleid of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe (r.o. 6.1). Veelal betekent dit dat een concreet beleidsstuk of visiedocument van het college openbaar of ter kennisgeving voor het publiek moet zijn gekomen, waarbij bij de gemeente het “voornemen tot” al in een ver gevorderd stadium is.

Tot slot het beroep op onevenredigheid van handhaving gelet op de gevolgen daarvan. Hiervoor dienen objectieve gegevens te worden verstrekt om de evenredigheid aan te tonen (r.o.7.1). Ontbreken deze, dan kan op onevenredigheid geen beroep worden gedaan.  

In het geval van Oostappen mocht het college handhaven omdat Oostappen handelde in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast was door Oostappen nog geen geldige vergunning aangevraagd. Eveneens was er nog onvoldoende grond om te vertrouwen op de beleidsnotitie van de gemeente Asten. Vanwege het ontbreken van objectieve data om de onevenredigheid aan te tonen kon de voorzieningen rechter niet anders dan het verzoek af te wijzen.

Wilt u meer weten over dit onderwerp, neem dan contact op met ons kantoor voor een gratis en vrijblijvend gesprek.

18 juni 2021

Marcel Meuleman